Levensduur parameters

Paragraaf voortgang:

Overlevingsfactor

Deze wordt enkel opgegeven bij led of ledlichtbronnen.

De definitie volgens de verordening is;

„overlevingsfactor” (SF): het bepaalde deel van het totale aantal lichtbronnen dat gedurende een bepaalde tijd blijft werken onder bepaalde omstandigheden en bij bepaalde schakelfrequenties;

Dit is een lastige. De definitie verraad eigenlijk niet zo heelveel. Het is in ieder geval niet de normale B of C factor die we al kennen. Dat wil zeggen de factor heeft het meest weg van de C factor. Om nu te weten hoe we deze factor moeten bepalen wordt verwezen naar de SLR (2019/2020)

De definitie is in die verordening hetzelfde. Dat is in ieder geval al goed. De test methodiek staat hier beschreven;

Duurzaamheidstestmethode:

i) Meting van de initiële lichtstroom: meting van de lichtstroom van de lichtbron vóór aanvang van de schakelcyclus van de duurzaamheidstest.

ii) Schakelcycli: de lichtbron wordt ononderbroken onderworpen aan 1 200 herhaalde, continue schakelcycli. Een volledige schakelcyclus bestaat uit 150 minuten waarin de lichtbron bij vollast is ingeschakeld, gevolgd door 30 minuten waarin de lichtbron is uitgeschakeld. De geregistreerde gebruiksuren (d.w.z. 3 000 uur) omvatten alleen de perioden van de schakelcyclus waarin de lichtbron was ingeschakeld; de totale testtijd bedraagt dus 3 600 uur.

iii) Meting van de finale lichtstroom: na afloop van de 1 200 schakelcycli wordt genoteerd of er lichtbronnen zijn uitgevallen (zie “Overlevingsfactor” in tabel 6 van bijlage IV bij deze verordening) en wordt de lichtstroom gemeten van de lichtbronnen die niet zijn uitgevallen.

iv) Van elk exemplaar in de steekproef dat niet is uitgevallen, wordt de gemeten finale lichtstroom gedeeld door de gemeten initiële lichtstroom. Om de vastgestelde waarde van de lumenbehoudsfactor XLMF % te berekenen, wordt het gemiddelde genomen van de hieruit voortvloeiende waarden voor alle exemplaren die niet zijn uitgevallen.

Het aantal monsters dat we moeten beproeven is 10.

Stap 1:

Het meten van de lichtstroom. Dit doen we liefst in een bol van Ulbricht. Markeer de monsters duidelijk zodat we achteraf weten welke lichtstroom bij welk monster hoort en de vergelijking plaats vind op de juiste waarden.

Stap 2: 

Duurproef; 1200 x in en uitschakelen. De lichtbron wordt gedurende 150 minuten aangeschakeld en dan 30 minuten uitgeschakeld. Let op dit is bij volle belasting, dus niet in een gedimde toestand.

Totale tij dat deze proef loopt is dus 3600 uur is ruim 21 weken!!

Stap 3:

Opnieuw meten van de lichtstroom van de lichtbronnen die nog functioneren. Er mag maximaal 1 lichtbron zijn uitgevallen op de 10 lichtbronnen.

Als we dit in aanmerking nemen mag/moet de survival factor tenminste 10% zijn. Verder wordt er echter niet beschreven hoe we daaraan moeten komen of hoe dit gecontroleerd gaat worden anders dan volgens deze beproeving.

Lumenbehoudsfactor

Deze wordt enkel opgegeven bij led of ledlichtbronnen.

De definitie volgens de verordening is;

„levensduur” voor led- en oledlichtbronnen: de tijd, in uren, tussen het moment waarop ze voor het eerst worden gebruikt, en het moment waarop in een populatie van lichtbronnen de lichtstroom van 50 % van de lichtbronnen geleidelijk is verminderd tot een waarde van minder dan 70 % van de initiële lichtstroom. Hiernaar wordt verwezen als de L70B50-levensduur;

Het gaat dus primair om de L70B50 levensduur. Aangezien dit nog voor veel mensen een lastig begrip is nog even een uitleg over L70B50;

Het lumenbehoud is de mate van lichtterugval na verloop van tijd. Alles is onderhevig aan veroudering en daar zijn leds geen uitzondering op. Dit was overigens ook bij onze oude lichtbronnen van toepassing. Bij led is lumenbehoud van groot belang gezien de lange levensduur die de huidige technologie mogelijk heeft gemaakt. Daalt de lichtopbrengst onder een afgesproken waarde is vervanging aan de orde.

Het afnemen van het licht, of eigenlijk de hoeveelheid licht die na bepaalde tijd nog over is, noemen we het lumenbehoud. Dit wordt uitgedrukt in een parameter aangeduid als Lx. Dit kan bijvoorbeeld zijn L70 of L80 etcetera. Het getal zegt dat er na de aangegeven tijd nog 70% (L70) van de initiële lumen-opbrengst over is. Daar hoort dan wel de tijd bij vermeld te worden. 

Dit is echter maar één deel van de parameter. Het tweede deel gaat over de uitval; ook niet geheel onbelangrijk. In specifieke gevallen wordt een percentage voor daling van de lichtopbrengst (B) beneden de gespecificeerde lichtopbrengst.

 Als de B is aangegeven geeft dat aan dat een percentage van de lichtbronnen de opgegeven L waarde niet zal halen. Stel de B=50 en de L=70, dan betekent dat dat 50% van de armaturen een lichtopbrengst van 70% niet zullen halen. De andere 50% zal er boven zitten. 

Inmiddels is het gebruikelijk geworden dat de B50 waarde wordt gehanteerd voor de levensduur en niet meer vermeld wordt.

De test methodiek wijkt af van de standaard methode die in de normen is beschreven. De test zoals bij overlevingsfactor is beschreven wordt hier gebruikt. Nog even de stappen;

Het aantal monsters dat we moeten beproeven is 10.

Stap 1:

Het meten van de lichtstroom. Dit doen we liefst in een bol van Ulbricht. Markeer de monsters duidelijk zodat we achteraf weten welke lichtstroom bij welk monster hoort en de vergelijking plaats vind op de juiste waarden.

Stap 2: 

Duurproef; 1200 x in en uitschakelen. De lichtbron wordt gedurende 150 minuten aangeschakeld en dan 30 minuten uitgeschakeld. Let op dit is bij volle belasting, dus niet in een gedimde toestand.

Totale tij dat deze proef loopt is dus 3600 uur is ruim 21 weken!!

Stap 3:

Opnieuw meten van de lichtstroom van de lichtbronnen die nog functioneren. 

Stap 4:

We moeten de gemeten lichtstroom nu delen door de initiële lichtstroom. 

Deze waarden moeten we dan middellen en die waarde is dan de uitkomst van de meting.

De lumenbehoudsfactor XLMF is dan bepaald.

Dan moeten we die vergelijken met;

De vastgestelde XLMF% van de steekproef mag niet minder bedragen dan XLMF, MIN% overeenkomstig bijlage V bij Verordening (EU) 2019/2020 (1) van de Commissie.

Hier moet de XLMF,min berekend worden. Dit is:

In deze formule zijn:

L70 = de opgegeven L70B50 levensduur in uren

Als de XLMF,MIN groter is dan 96% dan wordt voor de vergelijking 96% gebruikt.

Dat betekend in de praktijk dat waneer de L70B50 levensduur > 26.000 uur is de terugval na de test maximaal 4 % mag zijn. Dit veranderd dan ook niet meer als de levensduur langer wordt.