Fotometrische parameters

Paragraaf voortgang:

Nuttige lichtstroom (Φuse), waarbij wordt vermeld of deze verwijst naar de lichtstroom in een bol (360°), in een brede kegel (120°) of in een smalle kegel (90°)

Er wordt dan een waarde aangeven en daarbij een bundels alsvolgt;

x in [bol/brede kegel/smalle kegel]

De keuze is niet open. Dat wil zeggen de verordening beschrijft wanneer een lichtbron een gerichte of niet gerichte lichtbron is. Dit is van belang. 

Voor non-directionele lichtbronnen ofwel niet gerichte lichtbronnen mag al het licht dat uit de bron komt worden gezien als nuttige lichtstroom. Let wel het licht moet dan wel voldoen aan de eis dat minder 80 % van het licht wordt uitgestraald in een kegel van 120°.  Is dat namelijk meer dan is de lamp volgens de definitie een gerichte lichtbron.

Is de lichtbron een gericht lichtbron dan is de nuttige lichtstroom enkel de lichtstroom die in een specifieke hoek wordt uitgestraald. Er zijn 2 mogelijkheden. Lichtbronnen met een bundel van ≥ 90° en < 90°. Bij lichtbronnen met een hoek  < 90° wordt de lichtroom gemeten in een bundel van 90°. Al het licht binnen die bundel wordt gezien als nuttig alles daarbuiten mag niet worden meegeteld in het rendement als nuttig licht, dat is dus verlies.

Voor bronnen met bundelhoek van ≥ 90° wordt gemeten in een bundel van 120°. Ook hier geldt dat al het licht buiten die bundel dus als nutteloos licht wordt gezien. 

Een aandachtspunt voor armaturen met geïntegreerde lichtbron. Als de lichtbron niet te verwijderen is en het armatuur een lichtbron is, gelden deze eisen dus voor het gehele product. Dat kan soms vervelende gevolgen hebben omdat het de totale nuttige licht opbrengst wordt beïnvloed door het armatuur en derhalve op een lager dan gewenst niveau kan uit komen. Uiteindelijk kan dat weer gevolgen hebben voor de classificatie op het energie etiket.

Toegevoegde kleur­temperatuur, afge­rond op de dichtst­bijzijnde 100 K, of het bereik van toege­voegde kleurtempe­raturen, afgerond op de dichtstbijzijnde 100 K, die kunnen worden ingesteld.

Hmm weer een “slechte” vertaling naar het Nederlands. Als je het leest vraag je je mogelijk af wat nu bedoeld wordt maar de Engelse tekst is wel gewoon duidelijk en het gaat om de gecorreleerde kleurtemperatuur ofwel de kleurtemperatuur CCT. 

Hier wordt de kleurtemperatuur opgegeven. Dit kan 1 vaste kleurtemperatuur zijn maar het kan ook een bereik zijn. Bijvoorbeeld 2700 – 4000 K voor een instelbare lichtbron. De kleurtemperatuur moet op de dichtbij zijnde 100 K worden afgerond. 2750 K wordt derhalve dan 2800 K.

Kleurweergave-index, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, of het bereik van CRI-waarden die kunnen worden ingesteld.

De CRI staat voor ‘Color Rendering Index’ (ook wel Ra genoemd) en is een kenmerk van een lichtbron, welke in een getal weergeeft hoe goed kleuren worden weergegeven. De kleurweergave wordt bepaald aan de hand van de juiste weergave van 8 kleuren. In het plaatje hieronder zien we de teststalen die worden gebruikt bij de berekening van de index. De pasteltinten R1 t/m R8 worden gebruikt. De stalen R9 t/m R15 worden niet gebruikt in de berekening.

CRI test kleuren

R9-waarde

De R9 waarde wordt enkel opgegeven bij led of ledlichtbronnen

Als de R9 waarde hoog is, zit er veel rood licht in het uitgestraalde spectrum. Meer rood betekent warmer licht en haalt de warme tinten van aangelichte producten op.

Spectrale distributie in het bereik van 250 nm tot 800 nm, bij vollast

Hier moet een figuur worden gemaakt met de spectrale distributie van de lichtbron. Het gebied is 250 nm tot 800 nm.  In het plaatje hieronder zie je een voorbeeld van een spectrale distributie. Let op deze begint bij 300 nm, de verordening eist een spectrum tussen 250 nm en 800 nm.

Kleurcoördinaten (x en y)

Kleuren worden gespecificeerd aan de hand van een kleurruimte. In de afbeelding 2 kun je zien hoe dat eruit ziet. Daar zie je ook een X en een Y as langs staan: het bepalen van de kleur is een coördinaat op de X en de Y as. Een simpel maar effectief systeem. Het kleurcoördinaat is dus een exact punt in de kleurruimte, dit in tegenstelling tot de kleurtemperatuur. 

Kleurruimte; kleurtemperaturen

Maximale lichtsterkte (cd)

Deze hoeft alleen opgegeven te worden voor gerichte lichtbronnen. 

De maximale lichtsterkte moet hier worden opgegeven.

Hoek van de lichtbundel in graden, of het bereik van hoeken van de lichtbundel die kunnen worden ingesteld

 Deze hoeft alleen opgegeven te worden voor gerichte lichtbronnen.

Hier wordt niet mee bedoeld de 90º of 120º die eerder genoemd zijn. Hier moet de bundel hoek worden opgegeven. Die buidelhoek is als volgt gedefinieerd;

 „hoek van de lichtbundel” van een gerichte lichtbron: de hoek tussen twee denkbeeldige lijnen in een vlak door de as van de optische bundel, zodanig dat deze lijnen door het midden van het voorvlak van de lichtbron gaan, alsook door punten waarop de lichtsterkte 50 % is van de lichtsterkte in het midden van de bundel, waarbij de lichtsterkte in het midden van de bundel gelijk is aan de lichtsterkte die op de as van de optische bundel wordt gemeten.

Voor lichtbronnen waarvan de lichtbundel verschillende hoeken in verschillende vlakken heeft, wordt de grootste hoek van de lichtbundel in aanmerking genomen;

Voor lichtbronnen waarvan de hoek van de lichtbundel door de gebruiker kan worden ingesteld, wordt de hoek van de lichtbundel die overeenkomt met de „referentie-instellingen” in aanmerking genomen;

In onderstaande figuur zie je hoe de buidelhoek bepaald wordt.De groene lijn snijd exact het midden van de maximale lichtsterkte zoals gemeten in de meest intense hoek van de bundel.

Indien de bundel instelbaar is wordt het bereik opgegeven waarbinnen de hoek ingesteld kan worden.

Bundelhoek bepaling

Kleurconsistentie in MacAdam-ellipsen

Deze wordt enkel opgegeven bij led of olednetspanningslichtbronnen.

Bij de productie van lichtbronnen treden toleranties op in eigenschappen zoals kleurtemperatuur. De afwijkingen van de kleur worden uitgedrukt in McAdam ellipsen ofwel SDCM. Een afwijking van 1 McAdam ellips is niet zichtbaar. Meer dan 1 McAdam elips kan zichtbaar zijn. 

De kleurconsistentie moet worden opgegeven in het aantal MacAdam-elipsen. Dit betekend ook dat de inkoop van de leds die gebruikt worden in de lichtbron altijd binnen die tolerantie moeten liggen.

Metriek voor flikkering (Pst LM)

 Deze wordt enkel opgegeven bij led of olednetspanningslichtbronnen.

Flicker is het zichtbaar aan en uitgaan van een lamp. Ons oog neemt de wisselingen in lichtsterkte heel duidelijk waar en dit wordt ook omgezet in een daadwerkelijk zichtbaar lichtniveau verschil in ons beeld in de hersenen. Dit effect nemen we waar tot een frequentie van ongeveer 80 Hz. 

Pst => flicker waarde. Hoe lager deze is hoe minder flicker optreed.

In de SLR is deze gemaximaliseerd op 1,0 gemeten bij vollast.

Metriek voor stroboscopisch effect (SVM)

Deze wordt enkel opgegeven bij led of olednetspanningslichtbronnen.

Stroboscopisch effect. Bij het stroboscopisch effect nemen we de lichtvariatie niet direct waar. De frequentie is te hoog voor ons oog om de lichtmodulatie te kunnen volgen. Typisch is het gebied voor het stroboscopisch effect tussen de 80 Hz en 2 kHz. We zien dit effect alsof een object in beweging schokkerig voort gaat. Of wanneer een draaide machine lijkt stil te staan of juist langzaam lijkt te draaien. Denk ook aan autowielen die achteruit lijken te draaien terwijl de auto vooruit rijdt.

SVM => Zichtbaar stroboscopisch effect. Ook hier geldt hoe lager hoe minder effect.

In de SLR is deze gemaximaliseerd op 0,9* gemeten bij vollast.

* niet voor lichtbronnen bestemd voor gebruik in buitentoepassingen, industriële toepassingen of andere toepassingen waarbij de verlichtingsnormen een CRI < 80 toelaten. Per 1-9-2024 is de limiet gemaximaliseerd op 0,4.